Om 3:17 uur ’s nachts sprong de camera aan. Een figuur met een capuchon verscheen in beeld—voorzichtig, berekend. Handschoenen. Het gezicht verborgen onder een diep over de ogen getrokken muts. De persoon hurkte, legde het briefje neer, draaide het zodat de tekst goed zichtbaar was… en liep weg zonder ook maar één keer op te kijken.
Mijn maag trok samen.
Ik bekeek de beelden drie keer. Langzamer. Beeld voor beeld.
Dat was zij niet.
Ik sliep nauwelijks die nacht. Elk kraakje in huis klonk harder dan normaal. Tegen de ochtend begon het opnieuw te sneeuwen—dikke, zware vlokken, alsof ze alles wilden begraven.
Ik kleedde Micah aan, liep met hem naar de bushalte en zwaaide tot de bus uit zicht was. Daarna pakte ik mijn schop.
Ik bleef even staan aan het einde van mijn oprit en keek naar Lois’ huis, drie huizen verderop. De woorden van het briefje bonsden in mijn hoofd.
Kom nooit meer terug.
Ik kneep mijn handen steviger om de steel.
En ik liep tóch naar haar toe.
Haar porchlamp was uit. De sneeuw had zich alweer opgehoopt, hoger dan eerder. Ik begon te scheppen, langzaam, terwijl ik de ramen in de gaten hield. Geen beweging. Geen gordijnen die bewogen.
Toen ik klaar was, bleef ik staan. Mijn adem wolkte voor me uit. Ik twijfelde, maar liep toen naar de deur en klopte zacht.
Even gebeurde er niets.
Toen ging de deur op een kier……………..