De maanden daarna veranderde alles. Mijn wereld kromp tot ziekenhuisgangen, piepende machines en schema’s die mijn leven bepaalden. Mijn kinderen werden stiller. Andrew werd ouder in zijn gezicht. En ik werd… moe. Op een manier die dieper ging dan lichamelijke uitputting.
We kwamen op de transplantatielijst. En we wachtten.
Maanden gingen voorbij. Toen een jaar.
“U staat nog steeds op de lijst,” zei de coördinator telkens vriendelijk. “Maar er is veel vraag.”
Ik begon me af te vragen of mijn lichaam het wachten wel zou volhouden.
Op een regenachtige middag — ik was inmiddels eenenveertig — zat ik in het ziekenhuis, aangesloten op de dialysemachine, toen een verpleegkundige naar me toe kwam met een verbaasde blik.
“Mevrouw,” zei ze, “er is iemand die specifiek naar u heeft gevraagd.”
Ik keek haar aan, verward. “Naar mij?”
Ze knikte. “Hij is hier voor een gesprek met de transplantatieafdeling. Hij vroeg of hij u even mocht spreken. Alleen als u dat wilt.”
Even later werd de deur voorzichtig geopend.
Hij zag er anders uit. Schoner. Gezonder. Maar ik herkende hem meteen.
De man van de shoarma-kraam.
Zijn haar was korter, zijn jas vervangen door een eenvoudige maar nette winterjas. Zijn gezicht had nog steeds dezelfde lijnen, maar zijn ogen waren helder. Naast hem stond geen hond, maar hij hield iets anders in zijn hand.
Een klein, gevouwen stukje papier.
“U herkent me,” zei hij zacht, meer als een vaststelling dan een vraag……………