Ik heb die nacht nauwelijks geslapen.
Lucas lag in mijn bed, dicht tegen me aan gekropen, zijn hand nog steeds om het handvat van zijn kleine blauwe koffer geklemd. Elke keer als hij bewoog, schrok hij wakker, alsof hij bang was opnieuw achtergelaten te worden.
Ik zat rechtop, starend naar het plafond, mijn telefoon in mijn hand. Dat ene bericht bleef branden op mijn netvlies.
“Lucas besloot thuis te blijven. Hij was lastig.”
Tien jaar oud. Lastig.
Ik typte geen antwoord. Niet omdat ik niets te zeggen had, maar omdat ik alles wilde zeggen. En sommige gesprekken mag je niet voeren zolang je woede nog brandt.
De volgende ochtend belde ik de school en meldde Lucas ziek. Daarna belde ik mijn werk en nam een paar dagen vrij. Mijn prioriteit was duidelijk.
— Mam, — vroeg Lucas zacht terwijl hij aan de keukentafel zat, — ben je boos op mij?
Die vraag brak me.
Ik ging voor hem zitten en nam zijn gezicht voorzichtig in mijn handen.
— Nee, lieverd. Nooit. Niet één seconde. Jij hebt niets verkeerd gedaan. Begrijp je dat?
Hij knikte, maar zijn ogen bleven onzeker.
— Oma zei dat ik te veel vragen stelde. Dat ik het ingewikkeld maakte.
Mijn hart kneep samen.
— Vragen stellen is geen fout, — zei ik. — Het is slim. En moedig.
Hij keek naar zijn koffer in de hoek van de kamer.
— Ik dacht dat ik iets verkeerd had gedaan… dat ik niet mee mocht.
Ik sloeg mijn armen om hem heen.
— Jij hoort altijd mee te mogen, — fluisterde ik. — Altijd.
De dagen daarna kreeg ik foto’s doorgestuurd in de familie-app. Lachende gezichten. Pretparken. IJsjes. Mijn moeder met haar arm om Emily’s kinderen heen. Geen woord over Lucas. Geen verontschuldiging. Geen uitleg.
Ik verliet de groep…………