Ik herinner me nauwelijks de rit naar huis. Mijn handen deden pijn van hoe hard ik het stuur vasthield. Elk rood licht voelde als verraad. Elke seconde dat ik niet bij Grace was, als een risico dat ik niet kon dragen.
Mijn hoofd probeerde logica te vinden. Misschien schreeuwde hij tegen iemand anders.
Misschien begreep ik het verkeerd.
Maar mijn lichaam wist beter. Dat instinct, diep en oud, dat fluistert wanneer gevaar dichtbij is.
Toen ik de straat in reed, stond zijn auto er. Normaal gaf me dat rust. Nu voelde het als een waarschuwing.
Ik liet de auto half op de oprit staan en rende naar binnen.
De deur was niet op slot.
“Grace?” riep ik, mijn stem hoger dan ik wilde.
Geen antwoord.
Ik liep de woonkamer in. Alles zag eruit zoals altijd. De bank, de speelgoedmand, de foto’s aan de muur. Het gewone decor van een leven waarvan ik dacht dat ik het kende.
En toen zag ik haar.
Ze zat op de vloer bij de salontafel, haar knieën opgetrokken, haar armen er strak omheen geslagen. Haar ogen waren rood. Ze keek op toen ze me zag, en in die blik zat iets wat een vijfjarig kind nooit zou moeten dragen: angst die te groot was voor haar lijfje.
Ik viel op mijn knieën en trok haar tegen me aan.
“Het is oké,” fluisterde ik, terwijl ik haar haar streelde. “Mama is hier.”
Ze beefde.
Achter ons klonk een kuchje.
Mijn man stond in de deuropening van de keuken. Zijn gezicht was strak, gecontroleerd. Te gecontroleerd.
“Je bent vroeg,” zei hij.
Ik draaide me langzaam om, Grace nog steeds tegen me aan.
“Wat is er gebeurd?” vroeg ik.
“Niets,” antwoordde hij meteen. “Ze was gewoon overstuur.”
Ik voelde hoe Grace zich steviger aan me vastklampte.
“Grace belde mij,” zei ik. “Ze was bang.”
Zijn ogen flitsten even naar haar. Een fractie van een seconde. Maar ik zag het. Dat snelle, waarschuwende kijken.
“Ze overdrijft,” zei hij. “Je weet hoe fantasierijk ze is.”
Ik stond op, hield Grace achter me, mijn hand beschermend op haar schouder.
“Wat heeft ze gezien?” vroeg ik.
Zijn kaak spande zich aan…………….