“Je bent anders,” zei hij op een avond. “Ben je ziek?”
Ze schudde haar hoofd. “Ik weet het niet.”
Toen de oude vroedvrouw uit het dal eindelijk de berg opkwam—een vrouw met ogen zo scherp als messen—liet Isabelle haar onderzoeken.
De vrouw zweeg lang. Te lang.
Toen glimlachte ze.
“Meisje,” zei ze, “je draagt leven.”
De woorden sloegen in als een donderslag.
“Dat is onmogelijk,” fluisterde Isabelle. “Ik ben… ik kan geen—”
De vroedvrouw snoof. “Onzin. Je lichaam is sterk. Het was je ziel die gewond was.”
Marc stond stokstijf.
“Hoe lang?” vroeg hij hees.
“Een paar weken. Nauwelijks drie dagen na hun samenzijn.”
Drie dagen.
Het nieuws verspreidde zich sneller dan sneeuwsmelting in de lente.
In Clairval viel de stilte als een doodskleed.
Dezelfde mensen die haar hadden verkocht, die haar ‘onvruchtbaar’ hadden genoemd, staarden nu naar haar buik alsof ze een wonder of een bedreiging was.
Haar moeder kwam naar de berg. Zonder uitnodiging.
Élodie stond voor de hut, haar mantel netjes, haar ogen koud……………..