—
Normaal gesproken
zou hij blijven.
—
Hij was niet het type dat wegliep.
—
Maar dit keer…
—
ging het niet alleen om hem.
—
Als zijn identiteit hier bekend was,
betekende dat maar één ding:
—
Iemand binnen zijn eigen bedrijf
had hem verraden.
—
En als dat waar was…
—
dan was dit geen toeval.
—
Dit was een opzet.
—
Hij stond langzaam op.
—
Niet abrupt.
—
Niet verdacht.
—
Gewoon een man
die besloot te vertrekken vóór zijn maaltijd arriveerde.
—
Op dat moment kwam Rosie terug uit de keuken.
—
Hun blikken kruisten elkaar.
—
Heel even.
—
En in die seconde
zag hij iets wat hij zelden nog zag in mensen:
—
eerlijkheid.
—
Geen angst voor hem.
—
Maar angst voor wat er ging gebeuren.
—
Hij knikte nauwelijks zichtbaar.
—
Een stille dank.
—
Ze bewoog niet.
—
Maar haar vingers knepen kort in het dienblad.
—
Alsof ze hoopte dat hij haar begreep.
—
Hij liep richting uitgang.
—
Langzaam.
—
Rustig.
—
Elke stap gecontroleerd.
—
Toen hij langs de bar kwam,
voelde hij de blik van Greg op zijn rug branden.
—
“Gaat u al, meneer?” zei Greg plotseling.
—
Te vriendelijk.
—
Te scherp.
—
Alexander draaide zich half om.
—
“Dringende afspraak,” zei hij simpel.
—
Greg glimlachte.
—
Maar zijn ogen niet.
—
“Natuurlijk,” zei hij.
“U bent altijd welkom.”
—
Altijd.
—
Dat woord bleef hangen.
—
Als een belofte.
—
Of een dreiging.
—
Alexander liep verder.
—
De deuren kwamen dichterbij.
—
Nog tien stappen.
—
Acht.
—
Vijf.
—
Toen—
—
“Alex.”
—
De stem kwam van achter hem.
—
Niet luid.
—
Maar precies genoeg.
—
Hij stopte.
—
Langzaam.
—
En draaide zich om……………