De auto gleed langzaam door de natte straten van Mexico-Stad.
Ik leunde mijn hoofd tegen het raam en keek naar de lichten die vervaagden in de regen.
Voor het eerst in maanden… was het stil.
Geen kritiek.
Geen “tests”.
Geen stem die mij vertelde hoe ik moest kijken, voelen of reageren.
Alleen ik.
En die ene vraag bleef hangen in mijn hoofd:
Hoe ver ben ik bereid te gaan om mezelf nooit meer kwijt te raken?
Toen ik bij mijn moeders huis aankwam, deed ze de deur open nog voordat ik kon aanbellen.
Alsof ze wist dat ik zou komen.
Ze zei niets toen ze mijn koffers zag.
Ze sloeg alleen haar armen om me heen.
En dat was genoeg.
Die nacht sliep ik dieper dan ik in lange tijd had gedaan.
Maar de volgende ochtend…
begon de realiteit.
Mijn telefoon stond vol met berichten.
Van Miguel.
Eerst boos.
Daarna beschuldigend.
Toen zielig.
En uiteindelijk… bang.
“Sofía, laten we praten.”
“Je overdrijft.”
“Mijn moeder bedoelde het niet zo.”
“We kunnen dit oplossen.”
“Alsjeblieft, doe dit niet.”
Ik las ze allemaal.
En voelde… niets.
Dat was het moment dat ik wist dat ik al verder was dan hij dacht.
Tegen de middag ging mijn telefoon opnieuw.
Maar deze keer…
was het niet Miguel.
Het was zijn moeder.
Ik liet hem één keer overgaan.
Twee keer………………..