Het restaurant was precies zoals hij het graag had.
Stijlvol.
Gedempt licht.
Mensen die fluisterden alsof alles belangrijk was.
—
Hij kwam vijf minuten te laat.
Zelfverzekerd.
Alsof dit gesprek nog steeds in zijn voordeel kon draaien.
—
“Lucy,” zei hij terwijl hij ging zitten,
“ik ben blij dat je dit volwassen wilt aanpakken.”
—
Ik glimlachte.
Rustig.
—
“Bestel maar,” zei ik.
“Vanavond is op jou.”
—
Hij knikte meteen.
Geen twijfel.
—
Alsof hij dacht dat dit een verzoening was.
—
Hij bestelde wijn.
Duur.
Daarna voorgerecht.
Hoofdgerecht.
Dessert.
—
Voor twee.
—
Ik liet hem praten.
—
Over “misverstanden.”
Over “stress.”
Over hoe ingewikkeld alles was geworden.
—
Niet één keer zei hij:
Het spijt me.
—
Halverwege het diner leunde hij naar voren.
—
“We kunnen dit nog oplossen,” zei hij zacht.
“Niemand hoeft het te weten.”
—
Daar was het.
—
Niet liefde.
—
Reputatie.
—
Ik zette mijn glas neer.
—
“Je hebt gelijk,” zei ik.
—
Hij glimlachte.
Te snel.
—
“Niemand hoeft het te weten,” herhaalde ik.
—
Toen haalde ik mijn telefoon boven……………..