Ik bukte me om de sleutel op te rapen, maar mijn vingers trilden zo erg dat het me pas bij de tweede poging lukte.
De envelop voelde dik. Zwaarder dan papier zou moeten zijn.
Mijn naam stond erop in nette, ouderwetse letters: Laura van Dijk.
En rechtsonder, klein maar onmiskenbaar: H. Whitmore.
Mijn hart bonsde. Die naam zei me niets — en toch voelde het alsof hij dat wel moest doen.
Ik keek om me heen. De straat was nog stil, de winkels gesloten, de ochtendgrijsheid hing laag tussen de gebouwen. Ik draaide het slot om, ging naar binnen en legde de envelop op de toonbank alsof hij kon bijten.
Pas toen ik koffie had gezet, durfde ik hem open te maken.
Er zat een brief in. En een cheque.
Ik moest gaan zitten.
Mijn handen vlogen naar mijn mond toen ik het bedrag zag. Het was geen fooi. Het was geen donatie. Het was meer geld dan ik in jaren had gezien. Genoeg om achterstallige huur te betalen. Genoeg om leveranciers te bellen zonder schaamte. Genoeg om… adem te halen.
Met bonzend hart las ik de brief.
Beste Laura,
U kent mij nauwelijks, maar u gaf mij iets wat ik al jaren niet meer had gekregen: waardigheid.
U zag een oude man met een lege portemonnee en koos ervoor hem niet te laten voelen alsof hij minder waard was.
Mijn vrouw en ik runden ooit ook een klein eethuis. We verloren het — en kort daarna verloor ik haar.
Sindsdien eet ik vaak alleen. Gisteren at ik weer als een mens. Dankzij u.
Dit geld is geen aalmoes. Zie het als een investering in iets wat deze stad nodig heeft: een plek waar mensen nog mensen zijn.
En maakt u zich geen zorgen — Pickles heeft het hapje overleefd en vraagt wanneer hij terug mag komen…………….