OH MIJN GOD… LUCAS—”
Het woord bleef in mijn keel steken.
Het jongetje dat voor me stond, leek zó sterk op mijn zoon dat mijn knieën het bijna begaven. Dezelfde donkere krullen. Dezelfde sproeten op zijn neus. Zelfs die kleine scheve glimlach die Lucas altijd had als hij verlegen was.
Maar dit kon niet mijn Lucas zijn.
Mijn hand klemde zich vast aan het hek om niet te vallen.
De vrouw die de deur had geopend, schrok zichtbaar. Ze greep snel naar de schouder van het jongetje en trok hem een stap naar achteren.
“Gaat het wel?” vroeg ze bezorgd. “U ziet eruit alsof u flauw gaat vallen.”
Ik kon nauwelijks ademhalen. “Hij… hij lijkt precies op mijn zoon,” fluisterde ik. “Mijn zoon is vorige maand overleden.”
De vrouw verbleekte.
“Oh,” zei ze zacht. “Kom alsjeblieft binnen.”
Ik zat even later op hun bank, met een glas water in mijn trillende handen. Het jongetje zat tegenover me, zwijgend, zijn voeten bungelend boven de grond. Hij keek me nieuwsgierig aan, niet bang, maar voorzichtig.
“Ik heet Noah,” zei hij uiteindelijk.
Mijn hart brak opnieuw — maar anders dan voorheen.
“Hij heet Noah,” herhaalde de vrouw. “Ik ben Sarah. We zijn hier pas drie weken geleden komen wonen.”
“Hij… hij is acht,” zei ik, meer vragend dan stellend.
Sarah knikte langzaam. “Ja.”
Dezelfde leeftijd. Natuurlijk.
“Mijn dochter,” zei ik hees, “zij dacht dat ze haar broer zag.”
Sarah sloeg haar hand voor haar mond. “Dat verklaart zoveel………………