…alles stond stil.
De lucht leek plots zwaarder.
Alsof zelfs ademen moeite kostte.
Marc stond als versteend.
De telefoon nog in zijn hand.
Isabelle greep de rand van de tafel.
Haar vingers wit van spanning.
De deur stond open.
En in de opening…
stond een jonge man.
Hij zei niets.
Maar zijn ogen…
Zijn ogen waren identiek.
“Marc…” fluisterde Isabelle.
Maar haar stem brak.
De man deed een stap naar binnen.
Langzaam.
Voorzichtig.
Alsof hij niet zeker wist of hij welkom was.
“Ik… eh…” begon hij.
Zijn stem trilde.
“Ik denk dat ik hier moet zijn.”
Marc liet de telefoon vallen.
Het geluid galmde door de kamer.
“Wie ben jij?” vroeg hij hees.
De jonge man slikte.
“Mijn naam is Daniel,” zei hij.
Isabelle’s adem stokte.
Daniel.
Een naam die ze nooit hadden gekozen…
maar die plots… vertrouwd voelde.
“Ik weet dat dit vreemd klinkt,” ging hij verder,
“maar ik ben al weken op zoek naar jullie.”
Hij haalde een map uit zijn tas.
Papieren.
Foto’s.
“Mijn adoptieouders zijn onlangs overleden,” zei hij zacht.
“En toen vond ik dit.”
Hij legde een document op tafel.
Marc en Isabelle kwamen dichterbij.
Hun handen trilden terwijl ze lazen.
Geboortedatum.
Ziekenhuis.
Dezelfde.
Exact dezelfde.
Isabelle voelde haar knieën wegzakken.
“Dit kan niet…” fluisterde ze.
Maar diep vanbinnen…
wist ze het al.
Altijd al geweten.
Daniel keek hen aan.
Zijn ogen glinsterden.
“Ik heb mijn hele leven gevoeld dat er iets ontbrak,” zei hij.
“Alsof een deel van mij… ergens anders was.”
Marc’s ogen vulden zich met tranen.
“Wij ook,” zei hij zacht.
Een stilte volgde.
Geen ongemakkelijke stilte………….