“Wilt u met ons meekomen, meneer?” vroeg hij.
Ik pakte mijn jas. Niet omdat ik moest, maar omdat ik dat altijd deed. Mijn vrouw zei dat een man zich fatsoenlijk moet kleden, zelfs voor slecht nieuws.
In de politiewagen was het stil. De stad gleed langs me heen. Lichtjes. Kerstversiering. Mensen die lachten achter ramen.
“Mijn vrouw zou dit hilarisch hebben gevonden,” zei ik plots.
De agent keek op in de spiegel. “Pardon?”
“Dat ik eindelijk bezoek krijg,” zei ik. “En het is de politie.”
Hij glimlachte flauwtjes.
Op het bureau zetten ze me in een warme kamer. Koffie. Geen handboeien. Geen harde vragen.
En toen… ging de deur open.
Mijn dochter stond daar. Bleek. Ogen rood. Jas half dichtgeknoopt. Achter haar mijn zoon. De kinderen. Zelfs mijn schoondochter.
“PAP!” riep mijn dochter.
Ze liep op me af en omhelsde me zo stevig dat ik even geen adem kreeg.
“Wat is dit?” vroeg ik. “Jullie hadden plannen.”
Ze begon te huilen. Geen stille tranen. Echte.
“Toen je niet meer reageerde,” snikte ze, “en toen we je berichten opnieuw lazen… we dachten dat je misschien…”
Ze maakte de zin niet af.
Mijn zoon ging naast me zitten. Hij pakte mijn hand. Dat deed hij voor het laatst toen hij acht was en zijn knie had opengehaald.
“Het spijt me,” zei hij. “We dachten dat er altijd nog een volgende keer zou zijn.”
De jongere agent kuchte zacht. “We hebben liever dat mensen te vroeg ongerust zijn dan te laat.”
Ze lieten me gaan.
Maar ik ging niet meteen naar huis.
“Kom,” zei mijn dochter. “We gaan terug. Als het eten nog goed is… eten we alsnog samen.”
Ik glimlachte…………….