Histoire 10 2051 42

Dit is de politie,” zei de forse agent met het masker. “U bent aangehouden voor een ernstig misdrijf.”

Mijn hart sloeg een slag over. Niet omdat ik bang was — op mijn leeftijd is angst anders — maar omdat ik op dat moment dacht: zelfs dit nog. Alleen sterven was blijkbaar niet genoeg. Nu dit.

“Mag ik weten waarvoor?” vroeg ik kalm. Mijn stem verraste me zelf. Hij trilde nauwelijks.

De tweede agent, jonger, keek me aandachtig aan. Niet vijandig. Eerder… voorzichtig.

“Meneer,” zei hij, “is uw naam Hendrik Van Dalen?”

Ik knikte.

“U wordt gezocht in verband met een vermissing.”

Een vermissing.

Mijn hoofd werkte traag. Ik had niemand ontvoerd. Ik kwam nauwelijks de straat uit. Mijn wereld bestond uit de keuken, de woonkamer en het kleine kerkhof waar mijn vrouw lag.

“Wie is er vermist?” vroeg ik.

De jongere agent haalde diep adem. “Uw familie heeft aangifte gedaan. Ze maken zich zorgen. U hebt de hele dag meerdere berichten gestuurd. U klonk… afscheidnemend.”

Ik begreep het pas toen hij het zei.

Die ochtend had ik dingen gezegd die ik nooit eerder hardop had uitgesproken. Grapjes, ja — maar met een randje. Dingen als ‘als jullie niet komen, eet ik alles zelf op’ en ‘is opa nog cool genoeg?’

Ik had zelfs tegen mijn dochter gezegd:

“Als dit onze laatste kerst samen is, wil ik dat het een mooie is.”

Mijn vrouw zei vroeger altijd: Let op wat je zegt, Hendrik. Mensen onthouden het laatste.

“Ik heb niets gedaan,” zei ik zacht. “Ik heb alleen gekookt.”

De agent keek langs me de woonkamer in. De perfect gedekte tafel. Het eten dat inmiddels was afgekoeld. Vier borden. Vier glazen. Eén stoel aan het hoofd…………………

Lees verder op de volgende pagina.

Laisser un commentaire