Ze wees naar de voordeur alsof ík degene was die te ver was gegaan.
“Eruit,” siste ze. “Nu. Je hebt mijn zoon tegen me opgezet lang genoeg.”
Ik stond daar verstijfd van pijn, mijn huid vuurrood waar het water mijn schouder en arm had geraakt, terwijl stoom nog van mijn blouse opsteeg.
“Ben je gek geworden?” bracht ik uit.
Maar Els liep al op me af.
Niet geschrokken. Niet beschaamd.
Woedend.
Ze greep mijn laptoptas van de tafel, smeet die naar de gang en trok de voordeur open.
“Wegwezen uit dit huis!” schreeuwde ze.
Op dat moment kwam Thomas binnen.
Hij keek van mij naar zijn moeder. Naar de waterkoker. Naar mijn verbrande arm.
En voor één krankzinnig ogenblik dacht ik dat hij eindelijk zou zien wie zij werkelijk was.
Dat hij haar zou tegenhouden.
Dat hij míj zou beschermen.
In plaats daarvan fronste hij en zei:
“Sanne… wat heb jij nú weer gedaan?”
Die woorden deden meer pijn dan het kokende water.
Ik staarde hem aan alsof ik hem nog nooit had gezien.
“Je moeder heeft me net verbrand.”
Els legde meteen een hand op haar borst alsof zíj het slachtoffer was.
“Ze begon tegen me te schreeuwen!” jammerde ze. “Ze kwam dreigend op me af. Ik schrok en liet de ketel vallen. En nu doet ze alsof ik haar heb aangevallen!”
Thomas keek naar mij.
Naar haar.
En koos.
Zoals hij altijd deed.
“Sanne,” zei hij met die vermoeide, laffe stem van hem, “misschien moet je even afkoelen. Ga een nachtje ergens anders heen.”
Ik voelde iets in mij breken.
Niet luid.
Niet dramatisch.
Gewoon… definitief.
Ik knikte langzaam.
“Prima.”
Ik pakte mijn tas op van de vloer, liep langs hen heen, stapte mijn eigen huis uit—
en reed rechtstreeks naar de spoedeisende hulp.
Daar werden eerstegraads en oppervlakkige tweedegraads brandwonden vastgesteld. Ze maakten foto’s. Dossieropname. Behandeling. Alles gedocumenteerd.
Daarna belde ik mijn advocaat.
Toen de politie…………….