ik was niet in gevaar omdat ik iets vermoedde.
—
Ik was in gevaar…
omdat hij dacht dat ik niets vermoedde.
—
De voetstappen kwamen dichterbij.
Rustig.
Zelfverzekerd.
—
Alsof alles al beslist was.
—
Ik legde het papiertje terug in het glas.
Duwde de ketting eroverheen.
—
Adem in.
Adem uit.
—
Toen draaide ik me om.
Net op tijd.
—
Mauricio stond in de deuropening.
—
“Je bent vroeg wakker,” zei hij.
—
Zijn ogen gingen meteen naar het aanrecht.
—
Naar het glas.
—
Een fractie van een seconde…
zag ik het.
—
Twijfel.
—
“Wat is dat?” vroeg hij.
—
Ik haalde mijn schouders op.
—
“Geen idee,” zei ik.
“De ketting zag er vies uit, dus ik heb hem in water gelegd.”
—
Hij kwam dichterbij.
Te snel.
—
“Waarom zou je dat doen?” vroeg hij.
—
Ik glimlachte zwak.
—
“Gewoon… een gevoel.”
—
Stilte.
—
Hij keek naar het glas.
Lang.
Te lang.
—
Toen keek hij weer naar mij.
—
En ineens wist ik het zeker.
—
Dit was geen misverstand.
—
“Je hoeft hem niet te dragen,” zei hij plots.
“Als je hem niet mooi vindt—…………………