En toen vond ik het laatste document.
Een notariële verklaring.
Een rekening op mijn naam.
En een brief, apart gevouwen.
Deze was korter.
“Als zij ooit probeert te zeggen dat jij haar iets verschuldigd bent, onthoud dit: ze heeft jou niets gegeven wat niet eerst van mij kwam.”
Ik sloot de map.
Op dat moment ging mijn telefoon.
De naam van mijn moeder verscheen op het scherm.
Ik nam op.
“Waar ben jij?” vroeg ze, zonder begroeting. Haar stem was strak. Gecontroleerd.
“In oma’s huis,” zei ik rustig.
Er viel een stilte. Een ademhaling die iets te scherp werd ingehouden.
“Je had daar niet mogen zijn,” zei ze. “Dat huis moet nog verdeeld worden.”
“Het huis is van mij,” antwoordde ik. “Net als alles wat erin zat.”
Haar stem brak. Niet van verdriet, maar van woede.
“Wat heb je gevonden?” siste ze.
Ik leunde tegen het bed en keek naar de foto’s. “Alles.”
Ze schreeuwde. Mijn naam, gevolgd door woorden die ik al mijn hele leven kende: ondankbaar, egoïstisch, leugenaar.
Maar dit keer deden ze niets.
“Ik weet nu waarom je me nooit hebt liefgehad,” zei ik. “Ik weet waarom je me altijd op afstand hield.”
“Je begrijpt het niet,” riep ze. “Ik deed wat nodig was!”
“Je deed wat makkelijk was,” antwoordde ik.
Ze hing op.
Twee dagen later stond ze voor de deur van oma’s huis.
Haar ogen waren rood, haar mond strak. Ze keek niet naar mij, maar naar de doos met documenten die ik op tafel had gezet.
“Dit had begraven moeten blijven,” zei ze.
“Voor jou misschien,” zei ik. “Niet voor mij.”
Ze zakte in een stoel. Voor het eerst zag ik iets anders dan controle in haar houding. Angst…………..