Mijn adem stokte. “Wat nog meer?”
Daniel keek me aan met een blik die ik nooit zal vergeten.
“Na haar dood… heb ik me volledig afgesloten,” zei hij. “Ik was er wel voor Leo, maar emotioneel was ik afwezig. Ik ging naar therapie. Ik slikte antidepressiva. Jarenlang.”
Dat verbaasde me niet. Het klonk menselijk. Pijnlijk, maar menselijk.
“Maar toen jij in mijn leven kwam,” ging hij verder, “voelde ik me weer levend. En dat maakte me bang.”
“Bang waarvoor?”
“Dat ik weer alles zou verliezen.”
Leo zuchtte diep. “Papa denkt dat als hij iemand te dicht bij laat, er iets ergs gebeurt.”
Ik keek naar Daniel. “Denk je dat ik ook zal sterven?”
“Nee!” riep hij meteen. “Natuurlijk niet. Het is irrationeel. Ik weet dat. Maar die angst zit diep.”
De puzzelstukjes vielen langzaam op hun plaats.
“Dus je hield me weg van Leo omdat je niet zeker wist of je dit aankon?” vroeg ik.
Hij knikte. “Ik wilde geen beloftes maken die ik misschien niet kon waarmaken. Ik wilde Leo niet opnieuw hechten aan iemand die misschien weer uit ons leven zou verdwijnen.”
Leo keek me nu aan. Zijn blik was niet langer koud.
“Ik was boos,” gaf hij toe. “Niet op jou. Maar op hem. Omdat hij doet alsof hij sterk is, maar eigenlijk bang is.”
Er rolde een traan over mijn wang. Niet van woede, maar van opluchting.
Er was geen geheim gezin. Geen verborgen misdaad. Geen dubbele relatie.
Alleen verdriet. En angst.
“Ik was zo bang dat je me bedroog,” fluisterde ik.
Daniel schudde zijn hoofd. “Nooit. Ik hou van jou. Juist daarom was ik bang.”
De woorden hingen in de lucht.
Leo kuchte ongemakkelijk. “Ik ga toch maar naar mijn kamer…………..