Peter leunde zwaar op zijn stok terwijl hij de onbekende man volgde over het grindpad van de begraafplaats. Zijn knieën protesteerden bij elke stap, maar iets in de rustige stem van de man gaf hem geen reden om bang te zijn.
— U hoeft zich geen zorgen te maken, — zei de man, alsof hij Peters gedachten kon lezen. — Ik zal niet veel van u vragen.
Ze liepen naar een zwarte auto die discreet aan de rand van het terrein stond. De chauffeur stapte uit en opende de deur. Peter aarzelde.
— Ik heb niets meer te verliezen, — mompelde hij, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders.
De auto reed langzaam weg. Buiten trok het landschap voorbij: kale bomen, grijze lucht, winterzon die zwak door de wolken brak. Peter voelde zich moe, maar niet onrustig. Integendeel — iets diep vanbinnen voelde vreemd vertrouwd.
Na een half uur stopten ze voor een klein huis, netjes onderhouden, met licht brandend achter de ramen. Het leek warm. Levend.
— Waar zijn we? — vroeg Peter.
— Bij iemand die u al kent, — antwoordde de man eenvoudig.
De voordeur ging open voordat ze konden aanbellen. Een jonge vrouw stond in de opening. Haar haar was zorgvuldig opgestoken, haar jas dik en warm. In haar armen hield ze een peuter met grote ogen.
Peter bleef stokstijf staan.
— U… — fluisterde hij.
— Peter, — zei de vrouw zacht. — Ik hoopte zo dat ik u ooit terug zou zien.
Het was dezelfde vrouw uit de sneeuwstorm. Haar gezicht was voller, rustiger. Niet meer getekend door angst, maar door vermoeid geluk.
— Dit is Daniel, — zei ze, terwijl ze het jongetje iets dichter tegen zich aandrukte. — Mijn zoon.
Het kind keek Peter nieuwsgierig aan en glimlachte toen plotseling breed.
Peter voelde hoe zijn keel dichtkneep.
Binnen was het warm. De geur van soep hing in de lucht. Foto’s aan de muur — van de vrouw, van het kind, van kleine momenten die samen een leven vormden………..