Geen schandaal.
Geen geheim tweede leven.
Geen verraad.
Alleen een man die bang was haar bang te maken.
Ik keek in de spiegel.
Mijn ogen waren rood. Mijn gezicht gezwollen.
Maar achter het verdriet zag ik iets wat ik die ochtend niet had gezien.
Toekomst.
Toen ik terug de kapel in liep, was de dienst bijna voorbij.
Ik liep naar de kist.
Legde de roos tussen zijn handen.
En fluisterde zacht:
“Je mag stoppen met de buitenstoel nemen. Ik red me wel.”
Voor het eerst die dag voelde ik geen leegte.
Ik voelde verdriet.
Maar ook richting.
En ergens, diep vanbinnen, wist ik dat liefde soms niet eindigt met een hartslag.
Soms begint ze opnieuw — in de moed om verder te gaan.