Histoire 09 2035 21

In de deuropening van het café stond een man. Niet opvallend groot, niet intimiderend, maar vreemd genoeg straalde hij een zekere rust uit, alsof hij niet nat werd van de regen die nog steeds achter hem naar binnen waaide. Zijn jas droop, maar hij scheen dat zelf niet te merken. Hij keek niet naar mij, niet naar de vrouwen die mij zojuist hadden aangesproken, niet naar de serveerster die nog met het dienblad in haar hand stond. Hij keek alleen… naar Amy.

 

En Amy keek terug, met een concentratie die ik haar nog nooit had zien tonen. Haar ogen, die net nog vol waterige onrust waren geweest, stonden nu helder en bijna… nieuwsgierig. Haar armpje bleef uitgestrekt in zijn richting, alsof ze hem herkende.

 

Mijn hart bonsde, maar niet uit angst. Eerder uit een gevoel dat ik niet meteen kon plaatsen, een zachte trilling in mijn borst. Zoals het voelt als een herinnering die je vergeten was opeens, zonder waarschuwing, terugkeert.

 

De man stapte verder het café in. De geluiden in de ruimte — bestek dat tegen porseleinen tikt, stemmen die vroeger luid waren — leken plotseling zachter te worden. Alsof de wereld haar adem inhield.

 

„Mag ik?” vroeg hij vriendelijk, terwijl hij naar de stoel keek tegenover mij. Zijn stem was warm en laag, en hoewel ik hem niet herkende, voelde het alsof ik hem ergens eerder gehoord had. Misschien in een droom, misschien in een verhaal dat ik mezelf ooit verteld had toen het leven te zwaar werd.

 

Ik knikte, al wist ik niet waarom. De vrouwen naast me snoof verontwaardigd, maar ze zwegen. Misschien omdat zijn aanwezigheid iets met de sfeer deed — alsof niemand ruzie durfde maken zolang hij naast ons stond.

 

Hij ging zitten en keek naar Amy, daarna naar mij. „Ze is een krachtige kleine meid,” zei hij glimlachend.

 

„Dat is ze,” antwoordde ik zacht, mijn stem nog trillend van wat er net gebeurd was. „Ze heeft… veel meegemaakt. Meer dan een baby zou moeten.”

 

Hij knikte alsof hij dat al wist.

 

Amy gaf een klein geluidje — geen huil, maar iets zachts, tussen een zuchtje en een lachje in. Vervolgens liet ze haar handje zakken, alsof ze bereikt had wat ze wilde.

 

„Het spijt me,” zei de man plotseling, en zijn blik werd ernstiger. „Dat u zich zo moest voelen daarnet.”

 

Ik kneep mijn handen om het flesje. „Ik hoor vaker dat ik… niet pas op plaatsen waar mensen rust willen.” De woorden deden pijn om uit te spreken, vooral omdat ze waar waren. Ik had tegenwoordig steeds minder energie, en Amy had steeds meer zorg nodig. De wereld was niet geduldig met mensen die moe waren……….

Lees verder op de volgende pagina.

Laisser un commentaire