De jongen schudde zijn hoofd. “Niet daar. Niet door hen. Het was… ergens anders. Maar ik kan niet alles zeggen. Ik mocht terug omdat jij… bleef wachten. Je hebt me niet losgelaten. Niet echt.”
Mijn lippen krompen in een pijnlijke glimlach. “Natuurlijk heb ik je niet losgelaten. Je bent mijn zoon. Hoe kan een moeder dat?”
Hij stond op, liep naar me toe en legde zijn hoofd tegen mijn borst. De aanraking voelde echt. Té echt. Ik sloeg mijn armen om hem heen, bang dat hij opnieuw zou verdwijnen als ik te hard kneep.
“Mama?” zei hij, tegen mijn shirt gemompeld.
“Ja?”
“Mag ik blijven? Als jij dat wilt, mag ik blijven.”
Mijn keel voelde te nauw. “Hoe lang? Voor altijd?”
Zijn stilte was lang genoeg om mijn hart te breken. “Niet voor altijd. Maar langer dan de vorige keer. Als jij dat wilt…”
Als ik dat wilde.
Welke moeder zou nee zeggen tegen haar overleden kind dat terugkeerde?
Maar ergens diep vanbinnen klopte een vreemde angst. Wat betekende “mogen”? En van wie? Wat was de prijs?
Ik kneep zacht in zijn schouder, alsof mijn touché een antwoord kon afdwingen.
“Je mag blijven,” fluisterde ik. “Zolang je kunt… blijf.”
Hij glimlachte. Maar deze keer was het niet het pure, onschuldige lachje van vroeger. Het was anders. Ouder. Bewuster.
Alsof hij wist wat ik net had gekozen.
Alsof hij wist dat elke keuze een gevolg heeft.