“Mevrouw Cleo,” zei de inspecteur, “wij willen graag wat vragen over iets wat gisterenavond is voorgevallen.”
Cleo voelde haar ademhaling sneller. “Ik heb u geholpen. Ik reed iemand naar het ziekenhuis. Hij leek gewond.” Haar stem klonk zacht. “Is dat… niet goed?”
“U deed iets heel moois, mevrouw,” zei de rechercheur vriendelijk. “We vragen dit omdat we vermoeden dat de persoon die u vervoerde, mogelijk betrokken is bij een zaak waar wij onderzoek naar doen.”
Cleo knikte voorzichtig. “Ik wilde gewoon helpen. Hij leek kwetsbaar.”
“Dat begrijpen wij,” zei de inspecteur. “Kunt u ons vertellen wat hij zei, wat hij droeg, hoe hij eruitzag, en wat u heeft gedaan nadat hij bij het ziekenhuis was?”
Cleo haalde adem, herinnerde zich de nacht. “Hij zei dat hij gewoon naar een veilige plek wilde. Hij had een stok als looprek, hij hinkte op zijn linkervoet. Hij vertelde me dat hij geen geld had, bijna geen eten, dat hij op straat sliep. Toen we bij het ziekenhuis waren, liet ik hem uitstappen bij de spoedafdeling, en ik wachtte een paar minuten tot hij binnen was — hij wilde me bedanken, ik ben toen weggegaan.”
De politie noteerde alles. “Heeft hij u een naam gegeven?”
Cleo schudde haar hoofd. “Nee, hij wilde anoniem blijven.”
Er viel even stilte. Buiten op straat hoorde ze de motoren van de SUV’s zacht brommen. De rechercheur fronste zijn wenkbrauwen. “We hebben reden om te geloven dat hij niet zomaar iemand is. We willen u beschermen, mevrouw — uw veiligheid is belangrijk……
