Ik wist meteen: Eli.
Ik belde de bank.
Ze bevestigden dat er de avond ervoor een grote overschrijving was gedaan.
Van mijn rekening naar een onbekende begunstigde.
Het bedrag?
Alles wat we hadden gespaard voor de baby.
Diezelfde middag kreeg ik een envelop in de bus, zonder afzender.
Binnenin zat slechts één blad papier.
Geen briefhoofd, geen naam.
Alleen een zin, handgeschreven met zwarte inkt:
> “Je had niet moeten spelen in zijn spel. Nu speel jij de hoofdrol.”
Ik voelde een rilling door mijn lichaam gaan.
Was het een bedreiging?
Een waarschuwing?
Of kwam het van hem zelf?
Maya wilde dat ik naar de politie ging, maar hoe bewijs je iets dat onzichtbaar is?
Een verdwenen man, vervalste profielen, gestolen geld.
Alles wees naar Eli, maar hij bestond niet meer.
Zijn telefoon uit. Zijn kantoor leeg.
De laatste keer dat iemand hem zag, was hij met een vrouw — blond haar, blauwe jas — bij een bushalte buiten de stad.
Ze stapten samen in een taxi en verdwenen.
En toen, een week later, kreeg ik een e-mail.
Afzender: onbekend.
Bijlage: een echofoto van een baby.
Mijn naam stond in de hoek.
Maar het was niet mijn kind.
Onder de foto stond één zin:
> “Wees blij dat hij maar één gezin wilde verliezen.”
Ik keek naar mijn eigen buik, voelde de zachte beweging van mijn dochters voetje.
En ik wist dat dit verhaal nog niet voorbij was.
—