Amelia draaide zich met een ruk om toen ik binnenkwam. Haar ogen, normaal warm en vriendelijk, leken nu donkerder, bijna betrapt.
„Wat doe jij hier?” vroeg ze scherp.
Ik slikte. „Ik kon niet slapen. Sophie zei dat je hier ’s nachts vaak bent. Ik… ik wilde weten waarom.”
Een ongemakkelijke stilte vulde de kamer. Er hing een vreemde geur – iets ouds, stoffigs, maar ook iets metaalachtigs. In het schaarse licht van het kleine raam zag ik dozen, oude meubels en een tafel waarop kaarsen stonden, half opgebrand.
„Het is gewoon opslag,” zei ze haastig. „De spullen van mijn ouders. Het brengt herinneringen terug. Ik wil hier soms alleen zijn.”
Haar stem trilde licht, maar haar blik bleef strak op mij gericht. Ik wilde haar geloven – echt – maar er was iets in haar houding dat me niet geruststelde………
