Ik probeerde hem te wiegen, gaf hem zijn speen, zong een zacht slaapliedje, maar niets hielp.
De mensen om me heen begonnen te zuchten, te draaien, te staren. Mijn wangen brandden van schaamte.
Toen klonk er plots een harde klap tegen de stoel naast me.
De man die daar zat, draaide zich naar mij en schreeuwde:
> « Voor de hemel, kunt u dat kind niet stilhouden?! »
Ik keek hem verward aan.
> « Ik… ik doe mijn best, meneer, het spijt me echt. »
Maar hij rolde met zijn ogen en siste:
> « Misschien moet u gewoon uitstappen. Sommige mensen willen rustig reizen, weet u! »
Evan begon nog harder te huilen.
> « Neem dat krijsende ding mee en verdwijn! »
Mijn hart kromp ineen. Ik voelde de tranen branden. Langzaam stond ik op, terwijl ik Evan stevig vasthield.
En toen gebeurde het onverwachte.
—
De hand van een kind
Evan stopte plots met huilen.
Hij keek over mijn schouder en stak zijn kleine handje uit, alsof hij iemand zag die hij herkende.
Ik draaide me om.
Een jonge vrouw was net de bus ingestapt. Ze droeg een verpleegstersuniform en haar blik viel meteen op de man die tegen mij had geschreeuwd………