Op een avond besloot ik wakker te blijven.
Ik zat in mijn oude schommelstoel bij het raam, met een deken over mijn schouders en een kop kruidenthee in mijn handen.
De klok tikte langzaam richting twaalf.
Toen hoorde ik het weer: het zachte piepen van de deur.
Ik stond op, sloop naar de trap en keek naar beneden.
Daar zag ik haar — Emilia — in haar jas, haar haar los, een kleine zaklamp in haar hand.
Ze keek even om zich heen, alsof ze zeker wilde zijn dat ik sliep, en sloop toen naar buiten, richting de stal.
Mijn hart bonsde. Wat deed ze in hemelsnaam buiten, midden in de nacht?
Ik besloot haar te volgen, stilletjes, mijn pantoffels uit, mijn sjaal stevig omgeslagen tegen de koude lucht.
De maan scheen bleek over het erf, en in de verte hoorde ik uilen roepen.
Toen ik de stal bereikte, hoorde ik fluisterende stemmen.
Ik deed een stap dichterbij en keek door een kier in de deur.
Wat ik zag, deed mijn adem stokkken.
Emilia stond daar — niet alleen.
Voor haar stond een jongen die ik niet kende, jong, met donker haar en een blik vol zachtheid.
Hij hield haar handen vast.
En toen boog hij zich naar haar toe en kuste haar.
Mijn wereld leek even te bevriezen.
Ik stormde naar binnen, mijn stem trilde van emotie.
“Wat is dit in vredesnaam, Emilia?! Wie is die jongen?!”
Ze schrok en liet zijn hand los. “Oma, alsjeblieft, het is niet wat u denkt!”
De jongen, zichtbaar nerveus, stak zijn handen omhoog…….
