De deur sloeg dicht achter hem.
“Marianne?” riep Julien, met diezelfde toon alsof niets bijzonders was gebeurd.
Geen antwoord.
Hij liep de woonkamer in… en stopte abrupt.
“Wat…?”
De stilte was vreemd.
Te leeg.
Te netjes.
Alsof iemand niet alleen was vertrokken… maar bewust alles had achtergelaten wat geen waarde meer had.
Zijn blik ging van de halflege kast naar de kale tafel, naar de plek waar mijn laptop altijd lag.
Verdwenen.
“Wat is dit?” mompelde hij.
Achter hem klonk het geluid van hakken.
Pauline stapte binnen, haar tas al half open, haar ogen meteen zoekend naar spullen.
“Waar zijn haar dingen?” vroeg ze, geïrriteerd. “Je zei dat ze alles ging geven.”
Julien draaide zich naar haar om, zichtbaar gespannen.
“Ze is gewoon even weg. Ze komt terug.”
Maar zelfs hij geloofde dat niet.
Op dat moment ging zijn telefoon.
Een onbekend nummer.
Hij nam op, nog steeds geïrriteerd.
“Ja?”
“Mijnheer Lefèvre?” zei een kalme stem. “Ik bel u in verband met een aangifte die vandaag tegen u is ingediend.”
Zijn gezicht veranderde.
“Welke aangifte?”
“Fysiek geweld met verwondingen. We verzoeken u zich morgen om 9 uur te melden.”
Stilte.
Pauline keek hem aan.
“Wat is er?”
Julien antwoordde niet meteen.
Hij staarde naar de vloer.
Voor het eerst… zonder controle.
Aan de andere kant van de stad zat ik rechtop in een kleine, stille kamer.
Mijn wang brandde nog steeds.
Maar de pijn was anders.
Niet alleen fysiek.
Helderder.
Alsof iets in mij eindelijk wakker was geworden.
Voor me lag het medische rapport.
Foto’s.
Bewijs.
Feiten.
Niet langer woorden die hij kon verdraaien.
Mijn telefoon trilde……………….