en die nacht
deed ik geen oog dicht.
—
De foto lag op tafel.
—
Tussen mij en de waarheid
die ik jarenlang had begraven.
—
Of… die voor mij was begraven.
—
Ik pakte mijn telefoon.
—
Scrolde door oude bestanden.
—
Ziekenhuisdocumenten.
—
Ontslagpapieren.
—
Alles wat ze me ooit hadden gegeven.
—
Alles wat ik toen zonder vragen had geaccepteerd.
—
“Complicaties.”
—
Eén woord.
—
Zonder uitleg.
—
Zonder afscheid.
—
Zonder bewijs.
—
Mijn handen trilden.
—
Waarom had ik haar nooit gezien?
—
Waarom had niemand me dat toegestaan?
—
En waarom…
—
voelde dit ineens niet meer als toeval?
—
De volgende ochtend stond ik eerder op dan normaal.
—
Ik maakte twee lunchboxen.
—
Identiek.
—
Zelfde brood.
—
Zelfde extra jam.
—
Zelfde briefje.
—
Alleen de namen verschilden.
—
Junie.
—
En…
—
Lizzy.
—
Mijn hart sloeg sneller
toen ik de tweede naam opschreef.
—
Alsof ik iets bevestigde
wat nog niet bevestigd mocht worden.
—
Op weg naar school kneep Junie mijn hand.
—
“Je gaat haar vandaag zien,” zei ze zacht.
—
Niet als een vraag.
—
Als een zekerheid.
—
Ik knikte.
—
Maar vanbinnen…
—
was alles chaos.
—
Voor de schoolpoort stonden ouders te praten.
—
Kinderen renden.
—
Lachend.
—
Normaal.
—
Maar voor mij voelde alles anders.
—
Zwaarder.
—
Alsof de wereld elk moment kon verschuiven.
—
“Daar!” riep Junie plots.
—
Ze wees.
—
Mijn adem stokte.
—
Aan de overkant van het plein
stond een klein meisje.
—
Met haar rug naar ons toe……………..