Ik had me niet vergist.
Toen de deur van de voorraadkamer opensloeg, leek de wereld even stil te vallen.
Hazel stond midden in de kleine ruimte.
Haar ogen waren wijd open van schrik.
Tranen stroomden over haar wangen.
En haar arm…
Haar kleine arm was rood, alsof er iets heet tegen haar huid was gedrukt.
Mijn hart sloeg hard in mijn borst.
“Hazel!”
Ik rende naar haar toe en knielde neer.
Ze viel meteen tegen me aan.
“Mama…” snikte ze.
Ik pakte voorzichtig haar pols vast.
Het zilveren armbandje dat haar vader haar had gegeven, hing scheef.
Ernaast zat een rode plek op haar huid.
Niet groot.
Maar duidelijk.
Mijn maag draaide om.
Ik keek op.
Francesca stond aan de andere kant van de kamer.
Haar gezicht was bleek.
Maar niet geschrokken.
Eerder… betrapt.
“Wat is hier gebeurd?” vroeg ik.
Mijn stem was laag, maar gevaarlijk rustig.
Francesca haalde haar schouders op.
“Ze heeft zichzelf pijn gedaan.”
Hazel klemde zich nog steviger aan mij vast.
“Dat is niet waar,” fluisterde ze.
Mijn moeder verscheen in de deuropening.
“Wat is al dat geschreeuw?”
Ik stond langzaam op.
Met Hazel nog steeds tegen me aan.
“Ze heeft haar pijn gedaan,” zei ik.
Mijn moeder rolde met haar ogen.
“Overdrijf niet.”
Francesca kruiste haar armen.
“Ze moest gewoon even leren dat ze niet overal aan moet zitten.”
Ik keek naar de kamer.
Op een tafel lag een metalen aansteker.
Daarnaast stond een klein kaarsje dat half was opgebrand.
Mijn hart werd ijskoud.
“Je hebt een kind gebrand,” zei ik.
Francesca lachte kort.
“Doe niet zo dramatisch. Het was maar een seconde.”
De woorden echoden in mijn hoofd.
Maar een seconde…………….