Zijn keel trok samen.
— Eten? vroeg Victor zacht.
— Een plek om te slapen? School?
Het meisje schudde haar hoofd.
Ze keek hem met verrassend ernstige ogen aan.
— Nee.
De hele zaal luisterde nu.
Zelfs de investeerders die op het punt stonden weg te lopen, waren blijven staan.
— Wat wil je dan? vroeg Victor.
Het meisje keek naar de mensen rond de tafel.
Toen weer naar hem.
— Beloof dat je de huizen niet afbreekt.
Victor fronste zijn wenkbrauwen.
— Welke huizen?
— De kleine huizen bij de brug.
De woorden raakten hem als een klap.
Hij kende die plek.
Een oud stuk grond dat zijn bedrijf onlangs had gekocht.
De bedoeling was om er een luxe appartementencomplex te bouwen.
Maar om dat te doen…
moest een hele arme wijk verdwijnen.
— Mijn mama woont daar, zei het meisje zacht.
— En mijn vrienden ook.
Victor keek naar haar kleine, vuile voeten.
— Hoe heet je?
— Ana.
— Hoe oud ben je?
— Vijf.
Victor keek naar de mallette in haar handen.
Daarin zaten de documenten die zijn leven konden redden.
Zijn bedrijf.
Zijn reputatie.
Misschien zelfs zijn vrijheid.
Maar dit kleine meisje vroeg hem iets anders.
Iets dat geen enkele investeerder ooit had gevraagd.
Menselijkheid.
— Als ik de huizen niet afbreek… zei hij langzaam…………