De stilte die volgde was oorverdovend.
Toen ik de deur van de badkamer ontgrendelde, stond de hele familie van Javier achter mij. Zijn moeder, Doña Carmen, hield haar hand voor haar mond. Zijn broer Luis fronste diep. De oom keek eerst verward, toen woedend.
De deur ging open.
Stoom rolde de gang in, warm en verstikkend. Javier stond daar, bleek, met een handdoek half om zijn middel geslagen. Achter hem probeerde María zich te verbergen, haar gezicht rood van schaamte, haar ogen vol paniek.
Niemand zei meteen iets.
Toen sprak Doña Carmen.
“Javier…” Haar stem trilde. “Wat is dit?”
Hij opende zijn mond, maar er kwam geen woord uit. Hij keek van zijn moeder naar mij, alsof hij hoopte dat ík hem zou redden.
Ik zei niets.
Luis was de eerste die zijn stem verhief.
“Met onze huishoudster? In het huis van je vrouw?”
De oom lachte bitter.
“Dit is geen verrassing. Dit is een schande.”
María begon te huilen. Ze stamelde excuses, zei dat het een fout was, dat het niet haar bedoeling was geweest. Maar niemand luisterde echt naar haar. Alle ogen waren op Javier gericht.
Ik liep rustig naar voren en legde twee vuilniszakken op de vloer.
“Jullie kleren,” zei ik kalm. “Alles wat van jullie is, ligt buiten. Jullie hebben tien minuten om je aan te kleden en dit huis te verlaten.”
Javier keek me aan alsof hij me niet herkende.
“Lucía… alsjeblieft. Dit is niet wat het lijkt.”
Ik glimlachte flauwtjes.
“Het is precies wat het lijkt.”
Zijn moeder draaide zich naar mij toe.
“Mijn kind… wist je dit…………