Ik verstijfde.
Niet omdat ik hem miste.
Niet omdat mijn hart sneller sloeg.
Maar omdat mijn lichaam hem herkende voordat mijn verstand dat deed.
Hij stond daar — in mijn huis — alsof hij elk moment weer kon verdwijnen. Alsof hij nergens echt bij hoorde. Zijn schouders hingen laag, zijn ogen zochten de mijne niet. De man die ooit zekerheid uitstraalde, leek nu… leeg.
‘Kunnen we praten?’ herhaalde hij.
Ik zette de boodschappentassen langzaam neer. De melk dreigde om te vallen, maar ik corrigeerde haar met een bijna absurde kalmte. Alles in mij werkte vertraagd, alsof ik door water liep.
‘Waarover?’ vroeg ik.
Mijn stem klonk vreemd. Vlak. Niet boos. Niet gekwetst. Gewoon… moe.
Hij slikte.
‘Over ons.’
Ik keek naar zijn schoenen op de mat. Diezelfde schoenen die ik jaren had schoongemaakt. Die ik naast de mijne had gezet, altijd symmetrisch. Nu stonden ze scheef. Alsof ze hier niet meer thuishoorden.
‘Kom binnen,’ zei ik uiteindelijk.
Niet uit vergeving.
Maar uit nieuwsgierigheid.
Het gesprek
We gingen aan de keukentafel zitten. Dezelfde tafel waar we jarenlang hadden gegeten, plannen hadden gemaakt, ruzies hadden uitgepraat. Hij zat op zijn oude plek, maar het voelde alsof een vreemde daar zat.
‘Het is niet gegaan zoals ik dacht,’ begon hij.
Ik knikte langzaam.
‘Nee?’
Hij wreef over zijn handen.
‘In het begin voelde het… licht. Geen verplichtingen. Geen verantwoordelijkheden. Ze wilde alleen plezier. Feesten. Reizen. Geen zorgen.’
Ik keek hem recht aan.
‘En eten?’
Hij fronste.
‘Wat bedoel je?’
‘Eten,’ herhaalde ik. ‘Werd er gekookt?’
Hij zweeg…………….