Mijn hart sloeg zo hard dat ik dacht dat het de baby wakker zou maken.
“Een… DNA-test?” herhaalde ik, terwijl ik mezelf langzaam overeind duwde in bed. Mijn rug protesteerde, mijn buik voelde zwaar en strak. “Waar heb je het over, Andrew?”
Hij sloot de deur achter zich. In de gang hoorde ik nog vaag gelach van zijn vrienden, maar hierbinnen hing een verstikkende stilte. Hij vermeed mijn blik.
“Het is gewoon… iets wat duidelijkheid geeft,” zei hij. “Voor ons allebei.”
“Duidelijkheid?” Mijn stem trilde. “Over wát precies?”
Hij haalde diep adem, alsof hij zich had voorbereid op deze zin.
“Over of het kind wel van mij is.”
De woorden vielen niet hard. Ze vielen koud. Als ijswater over mijn huid.
Ik staarde hem aan, wachtend op een glimlach, een teken dat dit een slechte grap was. Die kwam niet.
“Ben je… serieus?” fluisterde ik.
Hij knikte. “Het is niks persoonlijks. Echt niet. Maar er zijn dingen gezegd. Vragen. En ik kan dit hoofdstuk niet beginnen met twijfel.”
“Wie heeft dit gezegd?” vroeg ik. “Welke dingen? Welke vragen?”
Hij zuchtte gefrustreerd en ging op de rand van het bed zitten, op veilige afstand van mij.
“Het maakt niet uit wie. Het gaat erom dat het logisch is. We hebben jaren geprobeerd. Jaren. En dan ineens—”
“Dus wat?” onderbrak ik hem. “Omdat het lang duurde, denk je dat ik je heb bedrogen?”
“Ik zeg niet dat ik het denk,” zei hij snel. “Ik zeg alleen dat ik het wil uitsluiten.”
Mijn handen begonnen te trillen. Ik legde ze beschermend op mijn buik.
“Andrew,” zei ik langzaam, “ik ben 35 weken zwanger. Ik draag jouw dochter. Ik heb drie jaar hormonen geslikt, mijn lichaam laten prikken en testen, elke maand opnieuw gehuild — met jou. En nu, midden in de nacht, na een avond drinken met je vrienden, kom je dit zeggen?”
Zijn ogen flitsten eindelijk naar de mijne. Daarin zag ik iets wat ik nog nooit bij hem had gezien: schaamte vermengd met koppigheid.
“Ze zeiden dat ik naïef was,” mompelde hij.
“Wie?”
“Mijn vrienden. En… mijn broer.”
Mijn maag trok samen.
“Je broer?” herhaalde ik. “Dezelfde broer die me nooit mocht? Die altijd zei dat ik ‘te ambitieus’ was en ‘te emotioneel’?”
Andrew zweeg. Dat was antwoord genoeg.
Ik voelde iets breken in mij. Niet luid. Niet dramatisch. Iets stillers. Iets dat nooit meer helemaal zou herstellen.
“Ga weg,” zei ik zacht.
“Wat?”
“Ga. Weg.”
“Elena, kom op—”
“Ik wil je niet zien,” zei ik, nu harder. “Niet vannacht.”
Hij stond op, geïrriteerd…………….