Mathieu voelde hoe zijn benen slap werden. Hij leunde tegen de tafel om niet te gaan zitten. Élise stond roerloos, haar hand nog steeds tegen haar mond gedrukt, alsof één ademhaling te veel alles zou doen instorten.
“Twee… miljoen?” fluisterde ze.
De notaris knikte langzaam.
“Dat is een voorzichtige schatting. Uw vader was geen rijke man in zijn levensstijl, maar wel een buitengewoon gedisciplineerde spaarder. Hij investeerde consequent, zonder risico’s, over een periode van meer dan veertig jaar.”
Mathieu schudde zijn hoofd, alsof hij het beeld van de man die elke ochtend zijn oude mok gebruikte niet kon rijmen met dit nieuws.
“Maar waarom heeft hij nooit iets gezegd?” vroeg hij schor. “Waarom heeft hij ons al die jaren laten denken dat hij niets had?”
Maître Girard sloeg een bladzijde om en vervolgde de lezing.
‘Mathieu,
Jij hebt mij nooit iets verweten, maar ik zag het in je ogen.
Elke rekening die hoger werd, elke keer dat je zwijgend knikte.
Ik wist dat ik je iets afnam wat je nooit zou terugvragen: rust.
Maar ik schaamde me.
Ik wist niet hoe ik moest zeggen dat ik meer had dan ik liet zien.’
Élise begon zacht te huilen.
“Papa dacht dat hij ons beschermde…” zei ze.
De notaris las verder.
‘Ik wilde geen last zijn.
Ik wilde niet dat mijn geld tussen jullie zou komen.
Dus besloot ik te zwijgen en alles op te schrijven.
En nu ik weg ben, wil ik dat jullie weten:
geen enkele euro was belangrijker dan de zorg die jullie mij gaven.’
Maître Girard legde de papieren neer.
“Volgens het testament is Élise de enige erfgename. Maar…” hij keek Mathieu recht aan, “er is een aanvullende clausule…………….