Die nacht sliep ik nauwelijks. Elke keer dat ik mijn ogen sloot, hoorde ik weer die stem—laag, zeker van zichzelf, alsof hij gewend was dat mensen gehoorzaamden. Ik keek meerdere keren bij Camden, die diep lag te slapen, zijn schetsboek half open naast zijn kussen. Op de bladzijde stond Eira, getekend als een klein lichtwezen met vleugels.
Dat gaf me kracht.
De volgende ochtend bracht ik Camden zoals altijd naar school. Ik zei niets over het telefoontje. Hij had al genoeg op zijn schouders. Toen ik hem zag verdwijnen door de poort, rechtop maar voorzichtig, wist ik waarvoor ik vocht.
Om vijf voor negen parkeerde ik mijn auto voor een glazen kantoorgebouw aan de rand van de stad. Alles aan het pand schreeuwde macht: marmer, staal, stilte. Bij de receptie hoefde ik mijn naam niet eens te noemen. Ze verwachtten me.
Meneer Theron stond al toen ik werd binnengeleid. Groot, breedgeschouderd, een perfect gesneden pak. Hij glimlachte niet.
— Gaat u zitten — zei hij, zonder te wijzen…….