Henri lachte schamper toen Élise de deur achter zich sloot.
“Vijf dagen,” mompelde hij. “Alsof ze iets kan veranderen.”
Toch bleef haar laatste blik aan hem knagen. Niet boos. Niet verdrietig. Berekenend. Dat was nieuw. En dat beviel hem niet.
Maar hij duwde het gevoel weg. Hij had belangrijkere dingen te doen.
Dag één
Valérie ontving hem die avond in het nieuwe herenhuis alsof het al van haar was. Marmeren vloeren. Een open haard die nog nooit was gebruikt. Ramen van vloer tot plafond met uitzicht op een perfect aangelegde tuin.
“Kun je geloven dat dit allemaal van ons is?” vroeg ze, terwijl ze haar glas champagne hief.
Henri knikte, trots.
“Het is pas het begin.”
Valérie lachte, maar iets in haar blik gleed al verder—naar de buren, naar status, naar wat dit huis over haar zou zeggen.
Dag drie
Élise zweeg.
Geen berichten. Geen advocaten. Geen drama.
Henri merkte dat het hem onrustig maakte. Vijftien jaar huwelijk eindigde niet zo. Normaal gesproken was er chaos. Emotie. Eisen.
Hij begon zich af te vragen wat ze precies aan het doen was.
Dag vijf
Het was een zaterdagnamiddag toen Élise arriveerde.
Niet alleen.
Een zwarte auto stopte voor het hek van het herenhuis. De huishoudster van Valérie, een jonge vrouw met een onberispelijk uniform, opende de deur.
Élise stapte uit. Eenvoudig gekleed. Geen juwelen. Geen drama.
Achter haar verschenen twee figuren.
Een oudere man in een perfect gesneden pak, zilvergrijs haar, rechte houding.
En naast hem een vrouw van rond de vijftig, strak gekleed, met een scherpe, alerte blik.
Valérie kwam net de trap af toen ze hen zag.
“Henri?” fluisterde ze. “Wie zijn die mensen?”
Henri stond op. Zijn zelfvertrouwen wankelde voor het eerst……………