De dagen na de ontdekking veranderde het ziekenhuis Saint-Augustin in een plek vol spanning en fluisteringen.
Officieel bleef alles “onder controle”.
Onofficieel wist iedereen dat er iets verschrikkelijks aan het licht was gekomen.
Dokter Richard Moreau werd meerdere keren per dag ondervraagd. Door de directie. Door juristen. Door de politie. Hij vertelde steeds hetzelfde verhaal, stap voor stap, zonder iets te verbergen. Toch voelde hij zich schuldig — niet omdat hij iets had gedaan, maar omdat hij het te laat had gezien.
Elke nacht lag hij wakker, denkend aan kamer 312-B.
Aan Mathieu.
Aan hoe een zwijgende patiënt het middelpunt was geworden van een systeem dat faalde.
De politie stelde een speciaal onderzoeksteam samen.
Ze analyseerden nachtroosters van drie jaar, toegangsbadges, camerabeelden, ventilatiesystemen, medicatieprotocollen. Wat eerst onmogelijk leek, begon langzaam vorm te krijgen.
Het bleek dat het externe onderzoeksinstituut nooit volledig was verdwenen.
Het was van naam veranderd. Van bestuur. Van structuur.
Maar sommige mensen… waren gebleven.
De verdachte onderzoeker — een man van begin vijftig — had geen directe macht. Geen officiële toestemming. Maar hij had iets gevaarlijkers: kennis. Hij wist hoe ziekenhuizen ’s nachts functioneerden. Wie moe was. Wie niet genoeg vragen stelde. Waar procedures vaag werden.
Hij maakte geen gebruik van geweld.
Alleen van nalatigheid.
De verpleegkundigen werden één voor één gehoord.
Niet als verdachten.
Maar als slachtoffers.
Claire Dumont was de eerste die durfde te spreken.
“Ik dacht dat ik gek werd,” zei ze met trillende stem. “Ik werkte alleen nachten. Ik deed alles volgens de regels. En toch voelde ik me… verantwoordelijk. Alsof ik iets fout had gedaan……………