We liepen langzaam naar buiten, Ben met zijn kleine hand stevig in de mijne. De bel boven de cafèdeur rinkelde zacht, alsof hij afscheid van ons nam. De frisse lucht deed me even knipperen. Ik had niet gemerkt hoe benauwd het binnen was geweest — niet door de ruimte, maar door de woorden, de blikken, het onzichtbare oordeel.
Op het bankje tegenover het café gingen we zitten. Niet omdat we waren weggestuurd, maar omdat Ben moe was. Hij zwaaide met zijn benen en keek naar voorbijgangers alsof de wereld plots weer veilig was.
“Gaan we nog een keer terug, oma?” vroeg hij.
Ik glimlachte zwak. “Misschien. Als jij dat wilt.”
Hij knikte tevreden, alsof hij iets had bevestigd dat hij al wist.
Die avond, thuis, haalde Ben zijn tekendoos tevoorschijn. Hij tekende zelden sinds zijn moeder was overleden. Kleur leek iets te zijn dat hij had opgeborgen, samen met herinneringen die te groot waren voor een kind van zes.
Maar nu pakte hij de blauwe stift. Daarna geel. Daarna rood.
“Wat teken je?” vroeg ik voorzichtig.
“Een café,” zei hij. “Met mama erin.”
Mijn hart trok samen, maar ik zei niets. Ik wilde hem niet stoppen.
Hij tekende drie figuren. Een grote, een kleine en een vrouw met lang haar. En naast hen allemaal een grote zon……………..