De telefoon trilde in mijn hand. Ik herkende het nummer meteen, al had ik gehoopt dat ik het nooit meer zou zien verschijnen. Even overwoog ik om niet op te nemen, om hem te laten verdwalen in de stilte die hij zelf had gecreëerd. Maar iets — misschien nieuwsgierigheid, misschien een laatste restje plichtsgevoel — dwong me om toch op het groene knopje te drukken.
“Luna…,” klonk zijn stem, schor, alsof hij al uren had gehuild.
Ik antwoordde niet meteen. Ik wilde horen wat hij te zeggen had, zonder hem ook maar een greintje troost te geven.
“Kunnen we praten?” vroeg hij. “Alsjeblieft. Het is belangrijk.”
“Waarover?” vroeg ik koel.
Hij aarzelde even. “Het gaat niet goed. Met haar… met ons.”
Ik sloot mijn ogen. Natuurlijk. Dit soort verhalen kende ik maar al te goed. Iemand die in een impuls alles weggooit, vervolgens ontdekt dat geluk niet zo eenvoudig opnieuw te bouwen is, en plots wil terugkeren naar waar het warm en stabiel was.
“Ik denk niet dat we iets hebben om over te praten,” zei ik rustig.
“Luna, alsjeblieft. Luister.” Zijn stem trilde. “Ze… ze is niet wie ik dacht dat ze was. Alles draait altijd om haar. Ze raakt in paniek om de kleinste dingen, ze beschuldigt me voortdurend van dingen die ik niet doe. Ik dacht dat ik haar kon helpen, dat ik haar kon beschermen. Maar ik ben uitgeput.”
Zijn woorden deden me niets anders dan een koude helderheid voelen. Het was alsof ik eindelijk zag wat ik diep vanbinnen al wist: hij had mij nooit verlaten uit liefde voor haar, maar uit een illusie over zichzelf.
“Dat is jouw keuze geweest,” antwoordde ik. “En jouw verantwoordelijkheid.”
“Maar ik mis jullie,” zei hij haastig. “Ik mis mijn dochter. Ik mis… ons leven. De rust, de warmte. Ik mis jou, Luna…………