Mira kneep harder in mijn hand terwijl ik haar naar de woonkamer bracht. Haar gezichtje was bleek, haar ogen groot en onrustig. Ze keek telkens achterom naar de gang waar ze net vandaan kwam, alsof daar iets stond dat wij niet konden zien.
Ik ging door mijn knieën zodat we op gelijke hoogte waren. “Lieverd, je hoeft niet bang te zijn. Wat is er gebeurd?”
Ze beet op haar lip, haar stem piepklein. “Ik wil naar huis. Alsjeblieft, pap. Nu.”
Mijn hart sloeg een slag over. Dat was niets voor haar. Mira kon koppig zijn, druk, soms zelfs dramatisch, maar ze kende geen angst van dit soort. Dit was anders. Dit was diep, instinctief.
Tessa kwam rustig de woonkamer in, nietsvermoedend, en droogde haar handen aan een doek. “Is alles oké? Wat is er aan de hand?”
Mira schoot onmiddellijk achter mij, alsof ze zich wilde verstoppen. Ze klemde haar armen om mijn arm en weigerde omhoog te kijken. Ik voelde hoe haar kleine lichaam trilde.
Tessa bleef staan, geschrokken door de reactie. “Wat is er gebeurd, Mira? Heb ik iets verkeerds gezegd?”
Ik keek naar mijn dochter, die krampachtig haar blik afwendde. “Mira, wil je me vertellen wat er is gebeurd toen je in de kamer was?”
Ze aarzelde, draaide met haar voet over de vloer. “Ik… ik zag iets.”
Mijn adem stokte. “Wat bedoel je met ‘iets’?”
Ze keek kort naar Tessa, dan meteen weer naar mij. “Daar was een man………