Madame Fontaine verstijfde toen ze Marcs stem herkende. Het was een stem die vroeger zelfvertrouwen had uitgestraald, maar nu klonk hij gebroken, onvast, alsof hij zich aan de rand van iets hield dat elk moment zou kunnen instorten.
— “Marc?” antwoordde ze voorzichtig. “Het is laat. Élise rust. Ze is net bevallen.”
Een korte stilte volgde. Marc ademde hoorbaar in.
— “Is… is de baby gezond?”
— “Perfect gezond,” zei Madame Fontaine met emotie. “Een prachtig meisje.”
Aan de andere kant klonk een bijna onmerkbaar kreunend geluid, alsof de woorden hem raakten op een plek waar hij niet meer wist dat hij kwetsbaar was.
— “Gefeliciteerd,” fluisterde hij, en het klonk alsof het hem moeite kostte.
Madame Fontaine voelde haar blik verzachten, maar haar stem bleef streng.
— “Marc, waarom bel je? Wat wil je?”
Hij slikte.
— “Ik moet met Élise spreken. Alsjeblieft. Het… het is dringend.”
— “Dat had je moeten bedenken vóór je haar wegstuurde terwijl ze hoogzwanger was,” beet ze terug.
Weer stilte. Maar nu was het geen defensieve stilte meer. Het was de stilte van iemand die zijn fouten onder ogen begon te zien.
— “U heeft gelijk,” zei hij zacht. “Maar ik moet haar iets vertellen. Het kan niet wachten.”
Madame Fontaine aarzelde. Ze wilde haar dochter beschermen tegen nog meer pijn, maar iets in zijn stem — de ongekunstelde wanhoop — maakte duidelijk dat dit geen gewoon excuus of terugkruipen was. Er was iets gebeurd. Iets ernstigs…………