Het huis was stil toen ik aan de telefoon bleef luisteren. Mijn hart bonsde in mijn borstkas alsof het elk moment kon breken. In de stilte klonk opnieuw datzelfde lage, rustige stemgeluid:
“Susie… waarom zeg je niets?”
Mijn vingers verstrakten om de hoorn. Ik kon niet bewegen.
“Wie bent u?” vroeg ik, deze keer harder, alsof het mij zou beschermen.
Het bleef even stil aan de andere kant. Toen hoorde ik een zacht schuiven, alsof iemand de telefoon dichterbij trok.
De stem werd lager, bedachtzamer:
“Jij bent Susie niet.”
Dat maakte iets kouds in me wakker.
“Nee,” zei ik. “Ik ben haar moeder. En ik wil weten waarom u haar belt.”
Een zucht, lang en schor.
“Zij belt míj.”
Ik slikte.
“Dat kan niet. Susie gebruikt onze vaste lijn bijna nooit. Ze kent niet eens zoveel nummers uit haar hoofd.”
Geen antwoord.
Toen zei hij iets dat mijn huid liet prikken:
“Susie kent mij al jaren.”
Ik sloeg onmiddellijk de telefoon neer, alsof het toestel plotseling gloeiend heet was geworden. Ik bleef nog een tijdje in de gang staan, luisterend naar niets anders dan mijn eigen ademhaling die onrustig heen en weer sloeg.
—
De volgende ochtend ging ik naar Susie’s kamer. Ze zat voor haar spiegel, haar lange haar borstelen alsof het een normale dag was.
“Susie,” begon ik voorzichtig, “met wie was je gisteravond aan het praten………