De houten trap kraakte onder mijn voeten terwijl ik omhoog ging, dezelfde trap waar ik als kind vaak omhoog was gerend om de kerstversiering te zoeken. Maar dit keer voelde elke trede zwaarder, alsof het huis me waarschuwde. De sleutel die mevrouw Callahan me had gegeven, lag koud in mijn hand. Mijn hart klopte tot in mijn keel.
Ik bleef even stilstaan voor de deur van de zolder. De verf bladderde af, net zoals bij zoveel dingen hier. Alleen deze deur had ik nooit mogen openen van oma. “Daar is niets voor jou,” had ze ooit streng gezegd — haar enige strenge zin die ik me kon herinneren.
Met een diepe ademhaling stak ik de sleutel in het slot. Het klikte zachter dan ik had verwacht, alsof de deur opgelucht was.
De zolder was donker, stoffig en gevuld met dozen, maar er was iets anders: een grote houten kist in het midden, te schoon, te nieuw om bij de rest te passen. Er lag een envelop bovenop. Mijn naam stond erop, in haar ronde handschrift…………