De lucht was grijs toen we die ochtend vertrokken. Ik had mijn jas zorgvuldig dichtgeritst, hoewel het niet koud was. Het voelde alsof ik een hoofdstuk afsloot — mijn oude leven, mijn huis, mijn tuin… alles was weggevaagd door het vuur.
Mijn zoon Peter had erop gestaan om me bij hem in huis te nemen toen ik uit het ziekenhuis kwam. Zijn vrouw, Marieke, was vriendelijk, maar ik kon aan haar ogen zien dat het niet eenvoudig voor haar was. Ze hadden drie kinderen, alle drie onder de tien. Er was altijd lawaai in huis — lachjes, gehuil, speelgoed overal.
Ik hield van hen, maar ik hoorde er niet echt meer bij.
’s Nachts lag ik wakker op de logeerkamer, luisterend naar het zachte gezoem van de koelkast in de gang en het kraken van het hout. Het voelde niet als thuis.
Toen ik Peter vertelde dat ik liever naar een verzorgingstehuis wilde verhuizen, zweeg hij eerst.
“Pap, je hoeft niet weg,” zei hij uiteindelijk. “We redden het wel.”
Maar ik schudde mijn hoofd. “Jullie hebben een gezin. Ik wil niet dat jullie je verplicht voelen. Ik wil mijn eigen plek terug, hoe klein ook.”
Na een paar dagen stemde hij toe. Hij had een verzorgingstehuis gevonden aan de rand van de stad. Rustig, met een tuin en veel zonlicht. Het klonk bijna te mooi om waar te zijn.
De volgende ochtend vertrokken we vroeg. Peter droeg mijn koffer, en ik hield de papieren vast — formulieren, een kaart, wat informatie over het huis. We reden een tijdje in stilte. Het ritme van de motor kalmeerde me. Maar na een paar bochten kreeg ik een vreemd gevoel……