De sleutel trilde in mijn hand toen ik hem in het slot stak. De nacht was stil; alleen het zachte geritsel van de bomen in de tuin was te horen. De maan wierp een bleek licht over de oprit, waardoor de auto een koude, glanzende gloed kreeg.
Langzaam tilde ik het deksel van de kofferbak op.
Het piepte — een schelle toon die veel te luid klonk in de stilte van de nacht.
Ik hield mijn adem in.
Binnenin lag… een stapel doeken. Oud, groezelig, vol vlekken. En daaronder — dozen.
Kleine, platte dozen, netjes opgestapeld, met een zwart lint eromheen.
Mijn hart bonsde. Ik voelde een mix van opluchting en nieuwe onrust.
Geen lichaam. Geen bloed. Maar wat was dit dan?
Ik tilde een van de dozen op. Ze was verrassend licht.
Toen ik het lint losmaakte, hoorde ik iets rammelen.
Binnenin lagen tientallen metalen buisjes — sommige met vloeistof erin, andere leeg.
Op het deksel stond een label:
“Project Nova – vertrouwelijk.”
Ik slikte. Project Nova? Mijn man werkte bij een verzekeringsmaatschappij. Geen laboratorium. Geen geheim project.
Ik maakte nog een doos open. Deze zat vol met kleine elektronische chips, sommige half gesmolten, andere verpakt in antistatische zakjes.
En in een hoek van de kofferbak lag een laptop — afgesloten met een wachtwoord, maar het scherm stond nog op slaapstand………..