Oma zat op de vloer, haar handen om de gescheurde stof geklemd. De blauwe satijnen jurk — haar trots, haar werk van een hele week — was aan flarden. De kant was uitgerukt, de naden opengetrokken.
Ik stond verstijfd in de deuropening, mijn hart bonsde in mijn keel. Toen hoorde ik voetstappen achter me. Carla.
Ze leunde nonchalant tegen de muur, haar armen over elkaar, een spottend glimlachje op haar gezicht.
“Oh,” zei ze met gemaakte verbazing, “wat jammer. Is die oude jurk soms ergens aan blijven haken?”
Oma keek op, haar ogen vochtig. “Hij hing gewoon in de kast. Hoe kan dat nou zomaar gebeuren?”
Carla haalde haar schouders op. “Misschien was het gewoon slecht genaaid. Oude dingen gaan nu eenmaal snel stuk.”
En toen zag ik het: kleine draadjes aan haar perfect gelakte nagels, een vage blauwe vlek op haar mouw. Ze had het gedaan — en ze wist dat ik het wist.
“Jij hebt dit gedaan,” zei ik, mijn stem trillend van woede.
Carla trok haar wenkbrauwen op. “Doe niet zo dramatisch. Waarom zou ik tijd verspillen aan een oude verkleedjurk?”
“Omdat je het niet kunt verdragen dat iemand anders gelukkig is,” beet ik haar toe……..