Cleo trok het gordijn nog iets verder open toen ze het geluid van de kloppende voordeur hoorde. Haar hart bonsde in haar keel. De zwarte SUV’s, minstens zes, stonden geparkeerd op de stoep, motoren draaiend, ruiten beslagen in de koude ochtendlucht. Ze wist niet of ze moest vluchten of blijven. Iets zei haar dat dit geen incident was, maar het leek haar leven plotseling insecten in een web te vangen.
Met trillende handen liep ze naar de deur. “Wie is het?” vroeg ze met een stem die kromp van spanning.
“Mevrouw Cleo?” zei een kalme, doch stevige stem. “Wij zijn van de recherche. Mag ik binnenkomen?”
Cleo slikte. Een rechercheur — betekent dat mogelijk de man die ze gisteren had geholpen, iets ernstigs verborgen had. Ze stapte opzij. “Ja… natuurlijk.”
De man trok een identiteitskaart tevoorschijn, liet die kort zien en wachtte op toestemming. Ze stapte achteruit en gebaarde dat hij binnen kon komen. Twee andere mensen volgden: een vrouwelijke inspecteur en nog een man in burgerkleding. Ze keken rond, letten op alles: de vloer, de gordijnen, haar spullen……
