Die avond nadat ik ontslagen was, kon ik amper slapen. De stilte in huis leek zwaarder dan ooit — alleen mijn zoon sliep vredig, onbewust van alle stormen die woedden in mijn hart. Ik lag op de rand van het bed, starend naar het plafond, gedachten zo luid dat ze me wakker hielden. Waarom nu? Waarom hij? En wie had mij zo geniepig willen neerhalen?
—
De volgende ochtend werd ik gewekt door een zacht geklop op de voordeur. Mijn hart sloeg over. Wie kon dat zijn om deze tijd? Ik streek met mijn hand over mijn gezicht, probeerde te ademen. Het kloppen herhaalde zich, dwingender dit keer. Mijn zoon kroop uit bed, slapend half, maar ik zei: “Blijf hier liggen, jongen.” Zijn ogen waren groot, verward.
Ik liep naar de deur, elke stap voelde zwaar, alsof ik door modder liep. Mijn hand rustte even op de klink. Toen: “Mevrouw? Het is de politie.” Mijn stem stokte. De politie, midden in de ochtend? Wat konden ze komen doen? Snel deed ik de deur open…….
