Ik had net fluisterend “Vaarwel, papa” gezegd toen ik mijn hand over de koude steen liet glijden. De lucht was grijs en zwaar, alsof zelfs de hemel met me meehuilde. Terwijl ik mijn stappen richting de uitgang van het kerkhof zette, bleef mijn blik plots hangen op een eenzame verschijning: een oudere vrouw, zittend naast een vers graf. Ze droeg een donkere jas, had een stok in haar hand, en achter haar grote zonnebril kon ik raden dat ze blind was.
Mijn eerste reactie was om stilletjes door te lopen, maar iets in haar houding – een mengeling van verlatenheid en stille waardigheid – hield me tegen. Ik ademde diep in en stapte dichterbij.
“Kan ik u helpen, mevrouw?” vroeg ik zacht.
Ze hief haar hoofd en glimlachte bijna onzichtbaar. “Als u het niet erg vindt,” zei ze, “zou ik het fijn vinden als u me naar huis zou willen begeleiden. Mijn kinderen… ze zouden me ophalen, maar ik zit hier al uren.”
Mijn hart kromp ineen. Hoe kon iemand zijn moeder alleen achterlaten op een plek als deze? Zonder aarzelen stak ik mijn arm uit en liet haar die vastgrijpen….
