23e

Ze klom langzaam de trap op, haar handen bevend.

“Je leeft…” fluisterde ik.

Ze knikte, haar ogen vol tranen.

“Ja. En het spijt me.”

 

Ik wist niet of ik haar moest omhelzen of haar moest uitschelden.

 

De kinderen keken nog steeds vanachter het raam.

Ik gebaarde dat ze binnen moesten blijven, en nam Julia mee naar de keuken.

 

Ze ging aan tafel zitten, haar kleren vuil, haar gezicht moe.

Ik gaf haar een glas water. Ze dronk het in één teug leeg.

 

Toen begon ze te praten.

 

“Ik moest weg,” zei ze zacht. “Ik was zwanger, alleen, bang. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik had geen geld, geen steun. En ik wist dat papa woedend zou zijn. Dus ben ik vertrokken.”

 

Ik slikte.

“En daarna? Waar ben je geweest al die jaren?”

 

Ze keek naar haar handen.

 

“Ik heb een tijd met een man geleefd. We kregen een zoon. Maar zes maanden geleden… is hij gestorven. Bij een ongeluk. Ik verloor alles. Toen wist ik niet meer waar ik heen moest. Dus… kwam ik hierheen. Ik heb twee nachten in de kelder geslapen. Ik wilde gewoon je huis nog één keer zien.”

 

Mijn ogen vulden zich met tranen.

Twaalf jaar……….

lees meer op de volgende pagina

Laisser un commentaire